In het opiniërende artikel: “Pas op met uitspraken over Zwingli” – Reformatorisch Dagblad 12 mei 2007 – worden kortheidshalve wat exegetische lijnen van Zwingli opgesomd. Onderstaand zijn deze lijnen aangevuld met citaten vanuit zijn geschrift “Doop, wederdoop en kinderdoop”.

 

Exegetisch trekt Zwingli ten aanzien van de kinderen onder meer de volgende lijnen:

a)      Kinderen behoren net zo zeker aan God toe als ouders;

“In Ezechiël zegt hij: “Weet dat alle mensenlevens mij toebehoren: zowel het leven van de vader als dat van de zoon ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven” [Ezechiël 18:4]. Merk op dat God zijn hand open houdt, en het kind niet verdoemt om de zonde van zijn vader. Dan hoor je daaruit ook, dat de schuld van Adam zijn nakomelingen niet verdoemen kan. De barst in het leven hangt hen wel aan, zodat als wij de wet leren kennen, de zonden daaruit te voorschijn komen. Uit deze tekst kun je ook vernemen, dat het leven van een kind niet minder aan God toebehoort, dan het leven van de vader. Dat versterkt ons inzicht, dat we niet zo hardvochtig moeten oordelen over de kinderen, maar dat we ze in de hand van God moeten laten. Hij weet hoe hij met zijn schepselen moet omgaan (…)”

[Doop, wederdoop en kinderdoop, pagina 144].

b)      Kinderen beërven het koninkrijk van God;

“Als wij net zo onschuldig moeten worden als de kinderen om het koninkrijk van God te verkrijgen, dan moet de onschuld van de kinderen zodanig zijn dat zij het koninkrijk van God beërven. Christus zegt namelijk: “Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan” [Matteüs 18:3]. Dat kan niets anders betekenen, dan dat de kinderen zonder rimpel of vlek zijn. Want als dat anders zou zijn, dan kunnen we niet met recht op dit voorbeeld worden gewezen (…)”

“Ik zou niet weten wat er aan het voorbeeld tekort zou kunnen komen, want anders zouden wij op een dwaalspoor worden gebracht. Dat kan natuurlijk niet zo zijn, want door dat te beweren zouden wij God zeer lasteren (…)”

[Doop, wederdoop en kinderdoop, pagina 124 en pagina 125].

c)      Voorzichtigheidshalve beperken we ons tot de kinderen van de gelovigen, maar God gaat zelf verder;

“We keren weer terug naar het hoofdonderwerp, dat is: dat kinderen van God zijn. En dan spreken we hoofdzakelijk alleen over de kinderen van christenen. Dat houdt niet in dat ik de kinderen van ongelovigen buiten wil sluiten, maar ik wil niet te ver uitweiden, zodat het boekje ongewild te omvangrijk zal worden. Ik laat de kinderen van de ongelovigen over aan het oordeel van God. Zelf kan ik nog geen verdoemenis aan ze ontdekken, zolang ze onwetend zijn van zonde en wet. Het zijn schepselen van God. Hij kan zijn vaten voor eervolle toepassingen gebruiken, maar ook voor oneervolle, zoals het hem behaagt. Paulus vermaant de Korintiërs [in 1 Korintiërs 7:12-14], dat in een huwelijk van een gelovige en een ongelovige, de gelovige de ongelovige niet mag verstoten, omdat anders de kinderen onrein zouden zijn. Nu zijn ze echter heilig. En iedereen weet dat “heilig” bij Paulus en de christenen in de vroege kerk “gelovig” betekent. Daarom werden de dienaren van God ook “de heiligen” genoemd. Als Paulus de kinderen uit een huwelijk, waarvan slechts één van de echtelieden gelovig is, al als heilig bestempeld, en dat betekent: tot het volk van God rekent, dan kunnen we daar heel goed uit afleiden, dat hij de kinderen die uit twee christelijke ouders zijn geboren, zeker tot de zonen van God zal rekenen (…)”

[Doop, wederdoop en kinderdoop, pagina 142 en pagina 143].

d)     De erfelijke ‘barst’ sinds Adam is door Christus overwonnen en vervloekt niet;

“Paulus zegt: “Juist de wet leert ons de zonde kennen” [Romeinen 3:20]. Daaruit kunnen we afleiden, dat als er geen kennis is van de wet, er ook geen kennis is van de zonde. Waar de kennis van de zonde ontbreekt, daar is ook geen overtreding en dientengevolge ook geen vervloeking.

Paulus zegt ook: “Want zonder wet is er ook geen overtreding” [Romeinen 4:15]. Merk op, hoe krachtig deze twee getuigenissen zijn. Ja, ze zijn zo sterk, dat ze alle verdedigingswerken van de theologen over de erfzonde doen ineenstorten. Want de erfelijke barst kan ons niet verdoemen, tenzij we de wet kennen, en tevens vanwege onze aard die door de barst is aangetast tegen de wet overtreden. Kortom, zolang men de wet nog niet kent, is er ook nog geen sprake van overtreding. En waar de overtreding niet is, daar is ook geen sprake van verdoemenis. Dan kunnen we duidelijk tegenover de theologen vasthouden, dat de kinderen van de gelovigen vanwege de erfzonde – zolang ze de wet niet kennen – niet vervloekt kunnen worden. Met “niet kennen” bedoel ik alleen het vanwege de leeftijd en het verstand nog niet kunnen kennen. Ik spreek dan niet over degenen die niet willen kennen, dus wel in staat zijn om te kennen, maar niet willen kennen. “Zonder de wet is de zonde dood. Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod kwam de zonde opnieuw tot leven” [Romeinen 7:8-9]. Wanneer was Paulus zonder de wet? Toen hij nog een kind was. Want anders is niemand zonder de wet. Toen hij opgroeide, en de wet leerde kennen, toen werd ook de zonde in hem levend. Daaruit moeten wij ook opmaken, dat hij het woord “zonde” op diverse plaatsen een andere betekenis geeft (…)”

[Doop, wederdoop en kinderdoop, pagina 136 en pagina 137]

e)      Leven onder de genade kan geen slechter lot beschoren zijn dan leven onder de wet.

“Stel dat het zo zou zijn, dat alle kinderen die nog niet geloven vervloekt zouden worden, dan was de kinderen van de christenen een erger en harder lot beschoren dan de kinderen van de Joden in het Oude Testament. En dat kan niet het geval zijn. “Want wij leven niet onder de wet, maar leven onder de genade” [Romeinen 6:14]. Geboren worden als nakomeling van Abraham was voor de kinderen al voldoende om niet verdoemd te worden. Dan kan Christus, door wie we weer levend worden gemaakt, voor zijn gelovigen toch niet zo zwak van krachten zijn, dat onze kinderen wel verdoemd moeten worden? Zou dan de natuurlijke afstamming van Abraham meer teweeg hebben gebracht dan de geestelijke afstamming van Christus? Het moet ver van een christen vandaan blijven, om op deze wijze te spreken! (...)"

[Doop, wederdoop en kinderdoop, pagina 147].