De achtergrond bij de 67 artikelen

 

De werkzaamheden van Zwingli als prediker, en de publicaties van zijn hand, veroorzaakten onrust. Geleidelijk werd een punt bereikt waarbij een keuze gemaakt zou moeten worden vóór of tegen de reformatorische beweging. Zürich zag zich geconfronteerd met interne onrust, vooral veroorzaakt door de kloostergeestelijken. Daarnaast werd de positie met Rome onduidelijk: bevond men zich nog binnen de geestelijke gemeenschap met Rome, of waren er cruciale punten ten aanzien van de praktijk en leer overschreden? Ook de andere eedgenoten drongen er bij Zürich op aan om in te grijpen in deze ongewilde situatie. Zwingli zelf was voorstander van een publieke disputatie, waarbij hij zich persoonlijk over de inhoud van de leer ten overstaan van het volk zou kunnen verantwoorden. Dat was nodig, aangezien hij zelf nogal eens in gevaar kwam te verkeren. Er moest duidelijkheid komen over de positie van de reformatie.

 

De raad van Zürich roept vervolgens een disputatie uit. De genodigden worden op 29 januari 1523 op het raadhuis verwacht. De vorm van de disputatie is een juridische: Zwingli is de aangeklaagde, en moet zich tegen de beschuldiging van ketterij verdedigen. Argumenten moeten gebaseerd zijn op de waarachtige Goddelijke Schrift en het gesprek vindt in het Duits plaats. De beslissing ligt bij de raad.

 

Zwingli die een centrale rol speelt in de disputatie heeft 67 artikelen opgesteld als basis voor de discussie.

 

De bisschoppelijke stoel in Konstanz zat behoorlijk met de uitnodiging in de maag. Enerzijds was het nauwelijks te verteren dat de beslissing in andere handen zou liggen, want dat was ongehoord vanuit de optiek van de bisschop, en anderzijds wilde men de ontwikkelingen ook niet missen. Men besloot om een delegatie te zenden als toehoorder. Eén van de delegatieleden was algemeen vicaris Johannes Faber.

 

Veel inhoudelijke discussie over de artikelen komt niet van de grond. Bij de heropening van de vergadering na het middageten kan de raad dan ook meteen het besluit voorlezen: Zwingli kan doorgaan met de verkondiging van het heilige evangelie en de Goddelijke geschriften met behulp van de Heilige Geest zolang zijn ongelijk niet aangetoond wordt. Ook de andere geestelijken onder de jurisdictie van Zürich mogen alleen prediken wat ze met de Schrift kunnen bewijzen. Bovendien moet er een einde komen aan de lasteringen en kwaadsprekerij.

 

Johannes Faber die geërgerd is over de uitkomst laat zich alsnog tot een discussie verleiden. Zodoende komen toch nog een aantal zaken aan de orde.

Johannes Faber en Martin Plantsch beweren ten slotte dat de artikelen niet op het evangelie en in de leer van de apostelen zijn gefundeerd, en niet in overeenstemming zijn met de waarheid. Vooral deze bewering dwingt Zwingli tot het schrijven van de uitgebreide uitleg bij zijn artikelen.

 

Het werk heeft in feite twee doelstellingen: het weerleggen van de kritiek van zijn tegenstanders en het bevorderen van de kennis bij het volk met een grondige en uitgebreide toelichting op de leer. Het is daarmee min of meer een programma voor de reformatie elders geworden. Het boek is het omvangrijkste geworden van wat Zwingli heeft geschreven. Het geeft bovendien een blik in de werkplaats van Zwingli als exegeet, zielzorger en reformator. Een echte ‘Fundgrube’ dus.