Fragmenten uit: “Twee preken te Bern: belijden en volharden” van Huldrych Zwingli. Vertaald en uitgegeven door H.L. Roth.
(..)
Rechtschapen christenen! Aangezien ik door de mij ongunstig gezinde tegenstanders als een misleider en ketter wordt voorgespiegeld, wil ik ten overstaan van deze vergadering van harte rekenschap geven van mijn geloof [zie 1 Petrus 3:15]. Vooraf wil ik verklaren dat ik ten aanzien van de inhoud van alle geloofsartikelen die in de algemene geloofsbelijdenis zijn opgenomen, overeenstem met alle ware gelovigen en mensen met kennis van deze zaken.
Ik belijd het geloof dan ook als volgt:
Ik geloof in één enig God, in de Vader, de Almachtige, die schepper is van de hemel en van de aarde.
En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatus; is gekruisigd, gestorven en begraven; is afgedaald naar de hel; op de derde dag weer is opgestaan uit de dood; is opgestegen naar de hemel; zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader; vanwaar hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
Ik geloof in de Heilige Geest. Een heilige, algemene, christelijke kerk, die de gemeenschap van de heiligen is. Vergeving van de zonden. Opstanding van het lichaam en eeuwig leven. Amen.
Nu zal ik toelichten, hoe ik de inhoud van deze gereciteerde geloofsbelijdenis begrijp.(..)
(..)
Met dit alles wil ik alleen verklaren wat we in dit artikel van de geloofsbelijdenis belijden, namelijk: ons geloof, onze verwachting en ons vertrouwen steunt alleen op hem, die het ware en hoogste Goed is, het leven, het wezen en de kracht van alle dingen. We stellen ons vertrouwen op geen ander goed, dan op hem die de oorsprong van alle goed is, want niets kan goed zijn, wat niet uit hem komt [zie Marcus 10:18]. Alle troost die we van schepselen zouden kunnen verwachten valt dan ook om; vanaf het moment dat we op schepselen vertrouwen, wantrouwen we God [zie Jeremia 17:5]. Bovendien is er nooit een sterveling zo heilig geweest, dat die geleerd heeft dat men op hem moest vertrouwen, of hij was niet heilig. Het vertrouwen dat vrienden in elkaar stellen, is niet het rotsvaste vertrouwen van het geloof; we hebben zelfs veel spreekwoorden om te waarschuwen, dat niemand te vast op een betrouwbare vriend moet bouwen [zie Jeremia 9:3]. Dat God ons goed doet door middel van onze naasten, geschiedt op grond van de volgende ordening: God heeft ons de liefde tot hem als volgt aan het hart gelegd: hij beschouwt dat we hem niet liefhebben, als we niet eveneens onze naasten liefhebben [zie 1 Johannes 4:20]. Wij moeten God als de bron en oorsprong van het goede, en de mensen door wie hij ons als door een greppel en waterleiding het goede doet toestromen, met dezelfde liefde omvatten. De God op wie wij vertrouwen is dan ook het enige goed dat niet bedriegt. Alles wat in hem is, en alles wat hij is, is onbedrieglijk; en alleen zeker en onuitputtelijk. Het goede kan niet onwijs zijn. Is het goede wijs, dan moet het een zodanige wijsheid zijn, dat ze alle dingen ziet, zonder beperking, zonder verduistering en onwetendheid. Want het goede is in alles het meest volmaakte. En omdat het goede alleen goed is, daarom is het goede ook alleen onfeilbaar wijs [zie Romeinen 16:27]. Wij zijn niet goed; alleen in wat we van hem ontvangen zijn we goed. Wij zijn ook niet wijs; alleen in wat we van hem ontvangen zijn we wijs. Als God de wijsheid schenkt, dan moet hij daar in voldoende mate over beschikken; bovendien moet zijn wijsheid door die te schenken niet verminderen, want anders zou zijn wijsheid al lang met een zeker deel zijn afgenomen; dat kan helemaal niet het geval zijn.
De wijsheid kan niet een rustige, inactieve deugd zijn – zoals we nogal eens bij mensen waarnemen aan wie we wijsheid toeschrijven. Ze beschouwen en onderzoeken veel zaken, maar ze zijn niet geoefend om in overeenstemming met hun wijsheid verstandig of getrouw te handelen of op te treden. Deze mensen zijn niet in de ware betekenis wijs. Ook Socrates bemerkt dat een wijs mens niet voor zichzelf leeft, maar een collectief goed is. Daaruit volgt dat wijsheid zonder goede daden geen wijsheid is, maar een onbetrouwbaar, zondig luchtkasteel.(..)