Fragmenten uit: “Doop, wederdoop en kinderdoop” van Huldrych Zwingli. Vertaald en uitgegeven door H.L. Roth.

 

Eerzame, welwillende heren en lieve broeders in God! Het doet me innig pijn dat bij jullie zulk een noodweer de uitbottende bloesem van het ontluikende evangelie heeft getroffen. Toch kan het me ook niet echt verbazen. De vijand doet namelijk niet anders. Als God zijn Woord meer en meer openbaart, dan zaait hij zijn onkruid ertussen [zie Matteüs 13:25]. Bovendien lezen we in bijna alle brieven van Paulus dat er mensen zijn die huichelen dat ze gelovig zijn, terwijl ze het in werkelijkheid niet zijn, en het Woord van God vanwege uiterlijke zaken in opspraak brengen.

 

Hetzelfde nemen we in onze dagen waar. Personen, die nog kort voor het begin van de wederdoopbeweging ten overstaan van de mensen luid verkondigden: “Uiterlijke zaken hebben geen betekenis! Ze kunnen niets betekenen voor de zaligheid! Laat niemand zijn vertrouwen erop stellen!”, hadden de waarheid gesproken, als ze het uit oprechte liefde en met maat hadden gezegd. Dezelfde mensen zien we vandaag vanwege het zichtbare teken bij alle christenen de vrede verstoren, en degene die hun weerspreekt, die schelden ze uit voor ketter en antichrist.

 

En dat terwijl hun eigen doel niets anders is dan een ketterij, namelijk: samenscholing en partijvorming. Dat moet als volgt worden verstaan: degenen die bij ons in Zürich de strijd vanwege de doop hebben geopend, zijn dezelfde personen die ons in de periode daarvoor vaak opriepen om een nieuwe kerk, dat is: een nieuwe gemeente of vergadering te stichten. Ze verkeerden in de veronderstelling dat ze een gemeente konden vormen die zonder zonde zou zijn. Aangezien wij echter zagen dat door het Woord van God mensen hun leven verbeterden en in het geloof groeiden, wilden wij hun wens tot afzondering niet inwilligen. Vervolgens hebben ze zich zodanig afgezonderd, dat de eerzame raad moest ingrijpen. Toen hun sektevorming daardoor werd verhinderd, legden ze opeens het thema van de kinderdoop op tafel.

 

-------

 

Laat niemand zich door strijdlust en eigenzinnigheid verharden, zodat duidelijk aantoonbare feiten niet overeind blijven, maar door woordenstrijd omvergeworpen worden. De waarheid komt uit een woordenstrijd niet bovendrijven, want de woordenstrijd heeft het vernietigende effect van een bosriviertje of een bergbeek. De waterstroom neemt plotseling alles mee wat het te pakken kan krijgen en vermeerdert daarmee zijn kracht. Het begint met het in beweging zetten van wat kiezelstenen. Die brengen daarna door de vele botsingen de grotere stenen in beweging. Uiteindelijk wordt de modderstroom zo groot en machtig, dat hij alles wat hij tegenkomt opruimt en meesleurt en niets anders achterlaat dan een klaagzang over de verwoesting van de mooie akkers en weiden. Hetzelfde effect heeft eigenzinnigheid en strijdlust. Eerst valt men over een klein en onbeduidend detail. Maar dat wakkert de menselijke natuur wel aan tot haat en nijd. Vanaf het moment dat de twee keien van eigenzinnigheid en strijdlust in de stroom worden meegezogen begint het kabaal, dat is: het geschreeuw en de vingervlugheid van het inhoudloze gezwets. En net zoals we in een wilde bergstroom niets anders zien dan troebel water, hoewel er grote stenen in verborgen zijn, zo zijn in de strijdlustige, troebele woorden ook boze stenen verborgen als nijd, haat en mateloze eerzucht. Maar men ziet ze niet. Alleen aan het grote geraas merkt men dat ze erin verborgen zijn. Vervolgens sleurt de strijdlust alles mee wat hij te pakken kan krijgen en vermeerdert daarmee zijn kracht. Uiteindelijk brengt de woordenstrijd geen andere vruchten voort dan dat de strijd als een bergbeek veel schade heeft aangericht. Er zijn onnuttige discussies geopend, en er is nodeloos onrust veroorzaakt onder het christenvolk, de liefde is vernield om uiterlijke zaken waar God niet mee wordt gelasterd, de onschuld en de rust van de gewetens is niet geplant. Op deze wijze liet de strijd de fris groenende kerk ontregeld achter. Daarom vermaan ik alle lezers, om niet te letten op wat de woordenstrijd oplevert, maar op wat de waarheid zegt.

 

------

 

Over de doop wordt in de Schrift op vier manieren gesproken:

  1. Ten eerste over het onderdompelen in het water en het intekenen voor een christelijk leven.
  2. Ten tweede staat de doop symbool voor de innerlijke verlichting en het trekken, waardoor de mens God erkent en hem aanhangt. Dat is de doop met de Geest.
  3. Ten derde legt “doop” een relatie tussen de verkondiging van de leer en de onderdompeling in het water.
  4. Als laatste legt de Schrift een relatie tussen de zichtbare doop en het innerlijke geloof, dat is: met de christelijke heilsorde in het algemeen.

 Aangezien velen niet nauwkeurig letten op het in de Schrift gemaakte onderscheid, vervallen ze in merkwaardige dwalingen en oordelen ze over zaken waar ze geen verstand van hebben.

We zullen de vier genoemde manieren van spreken met relevante plaatsen uit de Schrift bewijzen:

 

  1. “Johannes doopte toen ook, in Enon, dicht bij Salim, een waterrijk gebied. Daar kwamen de mensen naartoe om zich te laten dopen” [Johannes 3:23]. Het is duidelijk dat deze tekst alleen over de waterdoop spreekt. De tekst legt de relatie met de beschikbare hoeveelheid water die voor deze zichtbare doop noodzakelijk is. Het is ook duidelijk, dat allen die dopen, heel goed beseffen dat ze alleen met water dopen. Etc.

------

 

Daaruit leren we dat de doop met het water en de doop met de Geest niet noodzakelijkerwijs samenvallen. In de Schrift vinden we vaker dat de Geest pas na de doop wordt gegeven dan omgekeerd. Een duidelijk bewijs dat het ook voorkomt dat de doop helemaal niet wordt bediend terwijl er wel sprake is van geloof en redding: de misdadiger aan het kruis geloofde en hij was nog dezelfde dag met Christus in het paradijs, dat is: in de vreugde [lees Lucas 23]. De misdadiger is helemaal niet gedoopt met een uitwendige doop. Wat Hieronymus hierover zegt – en waar hij mij ook een tijdje mee op een dwaalspoor heeft gezet – dat de misdadiger in zijn bloed is gedoopt, betekent niets. De misdadiger hangt niet omwille van God aan het kruis – zoals de onschuldige jongetjes omwille van Christus moesten lijden [Matteüs 2:16-18] – maar hij hing daar vanwege zijn moorden. Petrus zegt daarover: “Is er enige reden om trots te zijn wanneer u de slagen verdraagt die u als straf voor uw wangedrag krijgt?” [1 Petrus 2:20].

 

------

 

De dienaar leest:

 

“De mensen probeerden kinderen bij de Heer Jezus te brengen om ze door hem de handen te laten opleggen, maar de leerlingen berispten hen. Toen Jezus dat zag, wond hij zich erover op en zei tegen hen: ‘Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’ Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen en liet ze weer gaan” [Marcus 10:13-16].

God zij geloofd, die ons door zijn Zoon al onze zonden wil vergeven!

 

Vervolgens neemt de dienaar het kind in zijn armen en zegt:

 

Wilt u, dat het kind wordt gedoopt?

 

Antwoord van de peetouders:

 

Ja.

 

Dan spreekt de dienaar:

 

Noem de naam van het kind.

 

Spreken de peetouders:

 

N.

 

Spreekt de dienaar:

 

N. Ik doop je in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest.

 

En met het oog op het doophemd:

 

God geef je, dat zoals je nu lichamelijk met het witte kleed bent bekleed, je op de jongste dag met een zuiver en onbevlekt geweten voor hem zal verschijnen. Amen.

De Heer zij met u allen. Ga dan heen in vrede.